Wildernis [De Problemist 76-4]

Lezers van FD Persoonlijk werden op 7 mei 2016 geconfronteerd met deze werkelijkheid: het stenen tijdperk ligt achter ons, een gecultiveerde chaos ligt op ons te wachten. Ik zal het uitleggen. In het artikel, ‘Een getemde wildernis’, werd betoogd dat ‘we’ de verstedelijking zat zijn en daarom snakken naar de natuur. Citaat: ‘De maatschappij wordt door alle digitalisering rationeler en georganiseerder. Het rendementsdenken wordt steeds sterker, wat zijn de kosten, wat zijn de baten?’ aldus tuinontwerper Andrew van Egmond. Wij, verlichte en rationele wezens, verlangen naar chaos, naar gras, naar groen, naar spontaniteit. Weg met de formele tuinen, strakke haagjes en fraaie mozaïeken!

Het lijkt de Romantiek wel. Van Egmond legt die link ook. In de 18e eeuw ontstond de Engelse landschapstuin. In het kort: een tuin die dezelfde beplanting heeft als het landschap eromheen. Geen palmboom in de voortuin of afgepaste buxus. De ondergrond serieus nemen, heet het dan. Recht doen aan het landschap. Ruim baan voor de nieuwe wildernis?

Over die laatste term hoorde ik mijn gewaardeerde leermeester, lector Jan van der Stoep, spreken. In een nieuwe lectorale lezing (hij is als lector verbonden aan de Academie Journalistiek en Communicatie van de Christelijke Hogeschool in Ede) sprak hij over het ambacht van de communicatieprofessional en journalistiek. ‘Als’,  zo betoogde hij, ‘in het maatschappelijke debat nieuwe termen worden ingebracht zoals bijvoorbeeld ‘slow food’, ‘nieuwe wildernis’ of ‘participatiesamenleving’ resoneren vaak oude verhalen mee. We kunnen geen origineel verhaal vertellen zonder daarbij te putten uit een breder cultureel repertoire.’ In het kort: geen term staat op zichzelf, woorden brengen een eigen frame met zich mee. Niemand durft een spoorlijn aan te leggen in het Groene Hart van Holland en op een nalatenschapsbelasting zijn maar weinig mensen tegen (tegen een death tax overigens weer wel: een klassiek voorbeeld van framing uit Amerika, waarbij estate tax het wel haalde en death tax niet vanwege de negatieve connotatie).

Nieuwe wildernis zou ons dus op een verkeerd been kunnen zetten. Alsof het nieuw is dat de chaos wordt gecultiveerd. Want de geachte tuinontwerper heeft gelijk: ook in de 18e eeuw zagen we deze hang naar de natuur. Ik zal er in dit kader niet teveel over uitweiden, de indruk dat ik mijn vrije tijd in de wildernis spendeer is namelijk onjuist. Toch denk ik dat menig damproblemist maar ook partijspeler geregeld in de wildernis bivakkeert: soms noemen we het bijoplosbaarheid, soms de Gesthem-doorstoot en soms tijdnood.

Helemaal losgezongen van onze materie is het niet, naar mijn mening. In Trésor des miniaturistes français uit 1979, dat ik ooit van Dirk van den Berg kreeg,  zien we zowel symmetrie en ratio, zie diagram 1 (en de afbeeldingen; het boekje is aangenaam gekonfijt met typisch Franse aanzichten), maar ook het gevoel strijden met het verstand, diagram 2.  In diagram 1 lijkt alles te kloppen, maar ergens ‘voelt het niet goed’ (hetgeen in onze cultuur als heilige graal wordt gezien: als je er niet ‘lekker’ bij zit op kantoor, dan zoek je toch iets waar je wel goed bij ‘voelt’?). De vraag bij diagram 2 is: hoe komt wit op dam?

De hang naar de wildernis zagen we ook in de Romantiek. De natuur werd gezien als een klavier waarop onze hoogste gevoelens tot uitdrukking konden worden gebracht. En de jardin anglais is een protest tegen de ‘volmaakte belichaming van het neoclassicisme’, aldus de filosoof Charles Taylor. De rechte lijnen, de vergezichten, het evenwicht en de symmetrie, die zo kenmerkend zijn voor de Franse tuin (en voor klassieke filosofieën waarin begrippen als recht, moraal, god, hiërarchie centraal stonden), werden vervangen door ongebondenheid, het onbeteugelde, de gevoelens. Een tuin moet de ziel aanspreken, zo was de gedachte, aldus Charles Taylor in Bronnen van het Zelf. Dat aanspreken dat gebeurt zeker in diagram 3. Als het bord de tuin is, de stenen de planten, dan is de oplosser de hovenier. En in diagram 4 zien we een gecultiveerde wildernis, niet zozeer in de aanvangsstand als wel in de ontleding, maar wie denkt de finesse niet tot dit genre behoort, vergist zich lelijk.

Ik sluit af met een strofe van A. Bélard uit het eerder genoemde boekje (over wildernis gesproken!):

“Comme nos coeurs  joignons nos voix

Chantons la problématique

Aux fleurs qui naissent sous ses lois

l´esprit ne laisse point d´épines.”

Solutions

  • Diagram 1 (auteur onbekend): 17, 12, 28, 3
  • Diagram 2 (A. Bélard?): 304, 327, 27, 10, 24, 20, 31, 33, 1
  • Diagram 3 (Louvest): 33, 37, 38, 8, 2, 16
  • Diagram 4 (Bajolle): 21, 27, 19, 20!, 29

Bronnen

  • Bronnen van het zelf, Charles Taylor. Rotterdam: Lemniscaat (2007).
  • Deugt het verhaal? Herontdekking van het ambacht in journalistiek en communicatie. Ir. J. van der Stoep, CHE, 3 juni 2016.
  • Een getemde wildernis, FD Persoonlijk, 7 mei 2016
  • Trésor des miniaturistes français, 1979.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *