Inleiding op Augustinus en diens Belijdenissen

De Belijdenissen

Augustinus’ bekendste werk is de Confessiones, de Belijdenissen. Augustinus vond dat belijden en lofprijzing samen op kunnen gaan (confessio heeft in het Latijn twee betekenissen: ‘belijdenis’ en ‘lofprijzing’). In het boek wisselen de lof op God en bekentenissen, in de zin van ontboezemingen, elkaar af. Het is een indrukwekkend getuigenis van een door God gegrepen ziel. Lof op Gods barmhartigheid, tranen om de zonde, zo zou je in navolging van de theoloog Noordmans de Belijdenissen kunnen kenschetsen [1]. Augustinus heeft zowel de zonde als de genade diep gepeild. Daarom zijn Augustinus woorden nooit goedkoop. De Belijdenissen schijnt een van de best verkochte boeken te zijn, na de Schrift zelf. Dat komt omdat Augustinus de harten van zijn lezers weet te raken door herkenbare, persoonlijke en zelfs intieme ontboezemingen [2].

Augustinus schreef de Belijdenissen na zijn bekering, toen hij een paar jaar bisschop van Hippo was [3]. Hij wilde inzicht (in zijn eigen leven) en onderricht (in de Heilige Schrift) geven. Er zijn diverse verklaringen met betrekking tot de reden waarom Augustinus dit werk schreef. Als bisschop genoot hij waarschijnlijk grote bekendheid. Waarschijnlijk waren velen geïnteresseerd in zijn leven en verleden. Hij schreef dit boek, niet met de bedoeling zichzelf de hemel in te prijzen, maar ‘om den onmatigen lof, dien men hem toezwaaide, af te wijzen’ [4] en hen vervolgens op God te wijzen.

Een andere verklaring is dat Paulinus van Nola, een Italiaanse bisschop en schrijver, graag meer over Augustinus wilde weten. Andere kenners houden het erop dat het geschrift vooral gericht is tegen de donatisten. Deze Noord-Afrikaanse sekte deed er alles aan om Augustinus zwart te maken. Zo beweerden ze dat zijn verleden zondiger was dan Augustinus deed voorkomen en beschuldigden ze hem ervan nog steeds een aanhanger te zijn van het manicheïsme. Augustinus verzet zich daar tegen en bestrijdt hen in de Belijdenissen te vuur en te zwaard.

Vorm

De Belijdenissen is in feite de eerste westerse autobiografie [5]. In het werk daalt Augustinus diep in zichzelf af. Augustinus richt zich in de eerste plaats tot God, als ware Hij zijn eerste lezer. Het boek begint dan ook met: ‘Groot zijt gij, Heer, en ten zeerste lovenswaardig.’ [6] ‘In de Belijdenissen is er geen bladzijde waar God niet duidelijk als de aangesproken aanwezig is.’ [7]

De Belijdenissen is geen egodocument avant la lettre. Augustinus doet zich in Belijdenissen niet mooier voor. Hij wil zijn lezer inwijden in het karakter van de zonde, in de onrust die een mens van nature met zich meedraagt, maar vooral in de vrijmachtige genade van God. In een brief aan een zekere Darius beveelt Augustinus kennis te nemen van zijn Belijdenissen. Niet met het doel om vervolgens tegen Augustinus op te kijken, maar ‘zie wat ik geweest ben in mijzelf’. Hij vervolgt: ‘Prijs niet mij, want Hij [God] heeft ons gemaakt en niet wij; wij hadden ons verdorven, maar Hij die ons gemaakt heeft, heeft ons hersteld.’ [8]

Inhoud van de Belijdenissen

De Belijdenissen bestaan uit 13 boeken: de eerste tien gaan over het leven van Augustinus, in de laatste drie staat de Heilige Schrift centraal. Om specifieker te zijn: de Schepping zoals beschreven in de eerste twee hoofdstukken van Genesis. Wijdeveld merkt op dat in het eerste deel vooral Augustinus’ morele ontoereikendheid centraal staat en dat in het tweede deel de nadruk valt op Augustinus’ intellectuele betrekkelijkheid. Oftewel, als hij in de spiegel kijkt, valt hij zichzelf tegen; als hij in Gods spiegel kijkt, namelijk de Schepping, geeft Hij zich over aan Gods grootheid en majesteit. Ik heb, zo schrijft Augustinus, vooral willen benadrukken dat het Gods genade is die een mens tot het geloof bekeert. [9]

Centrale thematiek

De Belijdenissen is een toegankelijk boek. Verhalend, soms anekdotisch, dan weer spitsvondig of meditatief. ‘Het lezen en volgen van [Augustinus’] gedachten is nooit tevergeefs. Men moge het met hem eens zijn of niet, hij heeft altijd en in ieder woord iets te zeggen.’ [10]

Het is enigszins gewaagd om van een centrale thematiek te spreken – in de Belijdenissen passeren allerlei onderwerpen de revue. De Belijdenissen beginnen en eindigen met de rust – die alleen in God is te vinden. Ik zou dat toch als de centrale thematiek willen aanmerken. Zijn zoektocht naar het ware, goede en schone mondt uiteindelijk uit bij God. Alleen in God is de ware rust te vinden. Dat ligt opgesloten in het overbekende ‘Onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U’ [11]. Minder bekend is overigens het zinnetje wat hieraan vooraf gaat: ‘Want Gij hebt ons geschapen tot U.’ Dat is altijd de richting bij Augustinus. Door God, tot God. De Belijdenissen eindigen met de eeuwige rust, de ‘zevende dag zonder avond’ [12]. Over God zegt Augustinus dan prachtig: ‘Gij zijt altijd rustig, omdat Gij zelf Uw rust zijt.’ Die rust, daar kunnen wij deel aan krijgen, mits het ‘aan u (…) gevraagd wordt [en] in U (…) gezocht wordt’. [13]


Deze inleiding heb ik gehouden op 11 december 2019 op de Augustinuskring, Gouda-Reeuwijk

Noten

[1] O. Noordmans, Verzamelde Werken (deel 3), p. 18-19
[2] ‘[Augustinus is] bekwaem om het hert der grootste zondaers te raken en te ontsteken met het vuer der goddelyke liefde. (…) Hy verlicht het een en ontsteekt het ander; hy onderrigt en beweegt te gelyk.’ P.J. Hanicq in het Voorberigt in De Belydenissen van den H. Augustinus (Mechelen, 1830), p. 5.
[3] Frans Erens in Aurelius Augustinus’ Belijdenissen in XIII Boeken. (Amsterdam, 1919), p.  XIV
[4] A. Sizoo, Toelichting op Augustinus’ Belijdenissen (Delft, z.j.), p. 22
[5] ‘Psychologisch is het boek van Augustinus een meesterstuk. Hij is de eerste geweest, die de zelf-analyse heeft te boek gesteld. Vóór hem werd het nooit gedaan. Als bisschop van Hippo zag hij terug op zijn geheele leven en stelde dit te boek van zijn toenmalige standpunt uit.’ P. XVII
[6] Confessiones I, 1
[7] Aldus Gerard Wijdeveld in een inleiding op de Confessiones (Amsterdam, 1997)
[8] Epistulae 231, 6
[9] De dono perseverantiae, 20, 53.
[10] Frans Erens in Aurelius Augustinus’ Belijdenissen in XIII Boeken. (Amsterdam, 1919), p.  XII
[11] Confessiones I, 1
[12] Confessiones XIII, 36, 51
[13] Confessiones XIII, 36, 53