Beknopte toelichting bij de Matthäus-Passion

J.S. Bach, Matthäus-Passion, BWV 244 (1727)
Overname is toegestaan onder bronvermelding: hansalderliesten.nl, 2024.

Eerste deel (no. 1 t/m 35; doorgaans gezien als de dwarsbalk van het kruis)

1. Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen (openingskoor; koor I, koor II en soprano in repieno)

De Matthäus-Passion opent met een droevig E-klein akkoord. Heel de zwaarte van het lijden is in het akkoord vervat, goed passend bij dit passiekoor. Het basritme is consistent en onheilspellend, donker en droevig. Een treurmars in optima forma. De stemmen van het koor klinken onrustig, verlangend, schreeuwerig, berustend. Wie goed luistert hoort het koor van de gelovigen (koor II) in gesprek met het koor van de dochters van Jeruzalem (koor I): Ziet! Wie? De Bruidegom. Ziet! Waarheen? Op onze schuld. Veel nadruk krijgt de laatste noot: Bach opent met E-klein, maar laat dit stuk eindigen met een akkoord in E-groot, op ‘Lamm’. Alsof hij wil benadrukken: besef om wie het draait: Jezus Christus, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt.

2. Da Jesus diese Rede vollendet hatte (recitatief)

In de Matthäus-Passion volgt Bach het lijdensverhaal van de evangelist Mattheus; beginnend bij hoofdstuk 26. De evangelist (tenor) neemt de luisteraar mee door het lijdensverhaal – naar de beschrijving van Mattheus. Hij wordt daarbij gesteund door eenvoudige akkoorden van de basso-continuo. Dit is een kort recitatief waarin de nadruk valt op ‘Ostern’ en ‘gekreuziget’. Het ‘gekreuziget’ laat Bach gepaard gaan met een indringend melisme: een reeks noten op een lettergreep. Wie goed naar de noten (van ‘kreu…’) kijkt, ziet er een kruis in – een mooi voorbeeld van Augenmusik.

3. Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen (koraal)

De koralen worden in de Matthäus dubbelkorig gezongen; de gehele mensheid sluit zich bij de woorden aan. Dit eerste koraal is een prachtig vierstemmig koraal, zoals Bach dat alleen kon harmoniseren. Na het indringende openingskoor en de intense verbeelding van het kruis in het voorafgaande recitatief, doet dit koraal weldadig aan. De gemeente vraagt zich in het koraal af wat de ‘Herzliebster Jesu’ toch misdaan heeft. Een retorische vraag waar geen antwoord op zal volgen. Dit is het eerste van de veertien koralen die de Matthäus telt; veertien is een Bachgetal – de notenwaarde van B-A-C-H levert een som van veertien op. De koralen werden waarschijnlijk niet door de gemeente meegezongen, maar waren veelal wel bij de gemeente bekend. De koralen in de Matthäus zijn isoritmisch genoteerd, waarmee de veelal intense teksten een plechtig karakter krijgen.

4. Da versammleten sich die Hohenpriester und Schriftgelehrten (recitatief)

Een recitatief dat nog geen halve minuut duurt, maar waarin veel gebeurt. Ik leerde dat het nuttig is om te kijken naar de hoogste en laagste noot. Onder de hoogste noten (a) de woorden ‘Prie(ster)’ en ‘Je(sum)’. Onder de laagste noot (d) ‘Pa(last)’. In het bijeenkomen van de overpriesters en schriftgeleerden klinkt haast door. Sinister klinkt het ‘mit Listen griffen und töteten’; de overpriesters en schriftgeleerden wilden Jezus met een list grijpen en vervolgens ombrengen.

5. Ja nicht auf das Fest (chorus; koor I en koor II)

De samenzwering van de overpriesters en schriftgeleerden klinkt geniepig en fel. Nergens zijn ze eenparig of eensluidend, tot de laatste maat (‘Aufruhr werde im Volk’). Het klinkt als een vergadering waarin men elkaar niet laat uitspreken. Het rumoer zwelt aan, het is moeilijk om het eens te worden en opeens is het klaar.

6. Da nun Jesus war zu Bethanien (recitatief)

Met bijzondere intervallen (stijgende kwart en dalende sext) verbeeldt Bach ‘Simonis des Aussätzigen’ (Simon de melaatse). De woorden ‘Weib’ en ‘Haupt’ (van Jezus) krijgen een tedere behandeling.

7. Wozu dienet dieser Unrat? (koor)

Een koor vol onrust – de discipelen twisten met elkaar over de daad van Maria. Het geld voor de dure zalf had beter aan de armen besteed kunnen worden. Opvallend is de lange noot voor de tenor en sopraan op ‘Armen’ (hier geen melisme). Het ‘wozu’ krijgt een dubbel accent: ‘wózu’ (eerst een hoge noot, dan een lage noot) en ‘wozú’ (een lage noot gevolgd door een hogere). De leerlingen zijn zo druk met de armen dat ze Christus en Maria vergeten.

8. Da das Jesus merkete (recitatief)

Opvallend is de hoge sprong op ‘Arme’ (verminderde septime): laat Bach hier Jezus parodiëren op het verweer van de discipelen? Het ‘begraben wird’ wordt figuurlijk weergegeven met een dalende lijn. Bach laat Christus met macht en gezag spreken: ‘Wahrlich, ich sage euch…’ Hier spreekt niet de lijdende maar de triomferende Christus. Bach zet een streep onder ‘ganzen Welt’: het verhaal over Maria zal de hele wereld overgaan.

9. Du lieber Heiland du (recitativo; alt)

Een juweel van een recitatief. De klacht wordt tweestemmig door fluiten begeleid. De stortvloed van tranen (‘Tränenflüssen’) is consequent door het pizzicato van de strijkers weergegeven. De alt zingt een dalende lijn bij ‘auf dein Haupt zu giessen’.

10. ‘Buß und Reu’ (aria; alt)

Een alt-aria waarin Bach een diep en waarachtig berouw laat klinken. Tranen biggelen over de wangen van de boetvaardige zondaar; ze verbrijzelen het hart en vallen op de aarde neer. Onder ‘daß die Tropfen meiner Zähren’ plaatst Bach staccato noten – met een neerwaartse beweging. Bach verwerkt in de aria’s de teksten van Picander – die duidelijk ingebed zijn in de orthodoxe lutherse theologie.

11. Da ging hin der Zwölfen einer (Evangelist)

In dit recitatief klinkt de haast van Judas door: hij wil Jezus verraden en is benieuwd hoeveel de Hogepriester hem daarvoor wil geven. Ze bieden dertig zilverlingen. De rust waarmee Judas vervolgens naar een gelegenheid zoekt om Jezus te verraden, contrasteert met de haast en onrust van daarvoor. Het verraad contrasteert eveneens sterk met het berouw uit de voorgaande aria.

12. Blute nur, du liebes Herz! (aria; sopraan)

Op tere wijze betuigt de sopraan in deze korte aria haar liefde – na een wrang slot volgt een da capo om andermaal haar liefde uit te zingen. Een van de kinderen (Judas) is tot een slang geworden – de moeder van Judas is om die reden beklagenswaardig. Is het wellicht de moeder van Judas die haar zoon bezingt? Een slang geworden (‘es ist zur Schlange worden’) beeldt Bach zeer intens uit met een ongewoon lange noot. De aria staat in H-moll (B-klein), de tekst is hard en bij tijd en wijle lelijk. In de herhaling van het eerste deel (Da Capo) worden doorgaans door solist/dirigent andere accenten gelegd om het stuk in een ander daglicht te plaatsen. Herhalingen zijn bij Bach nimmer saai.

13. Aber am ersten Tagen der süßen Brot (recitatief; evangelist)

Bach geeft alle omstanders een andere stem en klankkleur; zo klinken de leerlingen, joden en vrouwen allen verschillend. Het is duidelijk dat de discipelen leerlingen zijn; Jezus wordt letterlijk boven hen geplaatst.

14. Wo willst du (chorus; koor I)

Hier klinken de leerlingen deemoedig, vol toewijding, plechtig. Zouden ze zich realiseren dat dit de laatste maal is dat ze met hun Rabbi om tafel zitten? De eerste twee keer ‘Wo’ (waar) worden gevolgd door een rust, de discipelen klinken vervolgens ongelijktijd en onrustig.

15. Er sprach (recitatief; evangelist)

Sober vertolkt Bach Jezus’ mededeling dat een van de leerlingen Hem zal verraden. Het klinkt dramatisch; dat wordt versterkt door de chromatiek (chromatiek = drama). Vervolgens klinkt 11x ‘Bin ich’s’ (3x sopraan, 3x alt, 3x tenor, 2x bas) – Bach laat Judas achterwege. Hij weet dat hij Jezus spoedig zal verraden.

16. Ich bin’s, ich sollte büßen (koraal)

Een deemoedig, schuldbewust koraal (‘Ik ben het, ik moest boeten, aan handen en aan voeten, gebonden in de hel!’) als reactie op Christus’ mededeling dat een van hen Hem zal verraden. De fluiten zwijgen: hier past geen lieflijkheid. Het koraal klinkt als een zucht.

17. Er antwortete und sprache (evangelist, Judas, Jezus)

Judas zal Jezus verraden. Hier laat Bach Judas wél de vraag stellen, zij het gehaast: ‘Bin ich’s, Rabbi?’ Daarop klinkt het aangrijpende antwoord van Jezus: ‘Du sagest’s.’ Aangrijpend is de korte dalende lijn die erop valt. Als Jezus het avondmaal instelt laat Bach dat gepaard laat gaan met gewijde en soevereine klanken. Hier spreekt niet alleen de lijdende Knecht des Heeren, maar ook Christus Kurios. (De begeleiding onder het recitatief is dezelfde als bij no. 19.)

18. Wiewohl mein Herz in Tränen schwimmt (recitativo; sopraan)

Een meditiatief recitatief waarin overgave wordt uitgedrukt. Hoewel mijn hart afscheid neemt van Jezus, verheug ik mij op Zijn testament. In de noten klinkt liefde, bewogenheid, tederheid door. Prachtig rustig slot.

19. Ich will dir mein Herze schenken (aria, sopraan)

Een der schoonste aria’s uit de Matthäus. Komt het door de tere maar zekere verklanking van de overgave, de intense klanken van de begeleidende oboe d’amore? Opvallend dat er twee hobo’s aan te pas komen: in een eenparig duet wordt de vereniging tussen Christus en de ziel gesymboliseerd. Prachtig hoe het ‘schenken’ gestalte krijgt: hier geeft iemand zich helemaal over. (De begeleiding is dezelfde als bij no. 17 – hier wordt de betekenis van het sacrament bezongen.)

20. Und da sie den Lobgesang gesprochen hatten (evangelist, Jesus)

Moe, zwaar, beslist gaat het evangelieverhaal verder. Christus gaat met Zijn leerlingen naar buiten (‘gingen sie hinaus an den Oelberg’). Een stijgende serie noten: in het lijden zal de Messias worden verhoogd. Jullie, zegt Christus tegen Zijn leerlingen, zullen je aan Mij ergeren. De schapen zullen verstrooid worden – de leerlingen zullen alle kanten opvliegen. Met een paar strijkbewegingen weet Bach dit treffend te illustreren. Dat Jezus zal opstaan wordt door brede (orgel)tonen onderstreept. Christus zál Zijn jongeren voorgaan naar Galilea, dat is hier al zeker.

21. Erkenne mich, mein Hüter (koraal; koor I en koor II)

In de Matthaüs komen vijf koralen voor met deze melodie (‘O Haupt voll Blut und Wunden’, Paul Gerhardt /‘Herzlich tut mich verlangen’, Hans Leo Hassler) – no. 21, 23, 53, 63, 72. Telkens op een cruciaal punt in de Matthäus en telkens in een andere toonsoort (Es-dur, D-dur, F-dur en C-dur); hier in E-dur. Een prachtig passielied. Hij die aan het eind der tijden zal oordelen is zowel de Hoeder (‘Hüter’, ps. 121) als de Herder (‘Hirte’). De gemeente bidt ootmoedig door Hem aangenomen te worden.

22.Petrus aber antwortete, und sprach zu Ihm (evangelist)

Petrus weet het zeker: hij zal niet aan Christus geërgerd worden. Christus voorspelt echter Petrus’ val: eer de haan gekraaid zal hebben, zal je Mij verloochend hebben. Bach heeft geprobeerd de haan uit te beelden. De woorden van Christus klinken zwaar en ernstig.

23. Ich will hier bei dir stehen (koraal)

Het tweede koraal op de melodie van Gerhardt/Hassler. De fluiten zwijgen – de hobo’s steken schril af. De gemeente klinkt deemoedig en standvastig – net als Petrus niet van plan Christus in de steek te laten. In vergelijking met het vorige koraal (21) ontbreekt hier bevlogenheid; misschien een reactie op de waarschuwende woorden van Christus? (Naar verluidt noteerde Bach dit koraal aanvankelijk in Dis-groot, maar de uitgever (Peters/Bärenreiter) noteren dit koraal in Es-groot.)

24. Da kam Jesus mit ihnen zu einem Hofe (evangelist)

Langzaam betreden we heilige grond: we komen in de hof der olijven. Lijden, verdriet en dood liggen op de loer. Let op de accenten die vallen op ‘bete’, ‘trauern’, ‘meine Seele ist betrübt’ en ‘wachet bei mir’. Huiveringwekkend klinkt het ‘Tod’. Bach wist er alles van, hij leed in zijn leven diverse verliezen. Er klinkt een diepe angst en angstaanjagende verlatenheid in de stem van Christus door.

25. O Schmerz (recitativo, tenor)

Werkelijk schitterend hoe tenor en koor elkaar afwisselen. De schuldvraag staat centraal. De tenor klinkt ernstig, bewogen, gespannen. Het koor, de gemeente (koor II), klinkt berustend, objectief. Hier zijn ooggetuigen van een drama aan het woord, ondersteund door een onrustig continuo en tragische fluiten en hobo’s. De toeschouwers (koor II) stellen ook hier de vragen, zoals vrijwel in de gehele Matthäus het geval is.

26. Ich will bei meinem Jesu wachten (aria; tenor)

Het thema klinkt als een waaksignaal – wakker blijven! De hobo heeft de functie van een schalmei: ontwaak! Op de achtergrond klinkt in de muziek het slapen door; als ware het een wiegenlied. Toch is de gemeente stellig: zij willen en zullen met Christus waken. Er is sprake van beurtzang, maar ook de partijen wisselen elkaar af (let op actie en reactie van de verschillende partijen).

27. Und ging hin ein wenig (recitatief)

Hier klinkt het bittere lijden van Christus is de Hof der Olijven. Het ‘betete’ (bidden van Christus) krijgt veel nadruk: een lange noot, het illustreert het intense en aanhoudende gebed van Christus. Christus berust in Gods wil: niet wat Ik wil, maar Uw wil geschiedde (‘sondern wie Du willst’, let op de lange eerste noot van ‘sondern’).

28. Der Heiland fällt vor seinem Vater nieder (recitativo, bas)

Prachtig hoe Bach het ‘fällt nieder’ illustreert: in de partituur zie je Christus neervallen (viool & alt). De melodie bereikt een toppunt op o.a. ‘Heiland’, ‘Vater’, ‘Gnade’,  ‘Kelch’. Het slot is warm en innig: Christus wijdt zich in liefde aan de wil van Zijn Vader.

29. Gerne will ich mich bequemen (aria)

Een bewogen aria, breed en plechtig. Wie heeft nooit voor grote moeilijkheden gestaan en wilde liever vluchten, maar ging er desondanks door? De brede klanken van de violen onderstrepen het plechtige voornemen van de gelovigen om – in navolging van Christus – het kruis op te nemen. Het ‘Gerne’ krijgt een opvallend accent: het wordt direct herhaald.

30. Und er kam zu seinen Jüngern (recitiatief)

Ontstellend reageert Jezus op het feit dat Zijn lievelingen Hem in de steek laten in dit bange uur. Jezus’ liefste leerlingen blijken niet in staat een uur met Hem te waken (accent op ‘aber’, ‘Stunde’ en ‘wachen’). Na de constatering dat de geest wel gewillig is, klinkt er berusting: ‘Ich drinke denn.’ Dit is Jezus’ aanvaarding van de lijdensbeker, onderstreept door een lang slotakkoord.

31. Was mein Gott will, das gscheh allzeit (koraal)

Rustig en vol overgave stemmen beide koren in met de wil van God. Het klinkt als een geloofsbelijdenis, een bevestiging op Jezus’ gebed ‘Uw wil geschiedde’. Het slotakkoord (B-gr) staat als een huis. In de tekst klinkt ook troost door, ‘Er hilft aus Not, Der fromme Gott.’

32. Und er kam und fand sie aber schlafend (recitatief) 

Jezus treft Zijn jongeren opnieuw slapend aan. Zijn uur is nu aangebroken; Bach plaatst onder ‘Siehe’ een opgaande notenserie, met een hoge noot op ‘Stunde’ en een triller in de klavierpartij, om het onheilspellende karakter aan te duiden. De aankomst van de bende, met voorop Judas, is onrustig: Bach illustreert dit aan de hand van snelle nootjes en een onrustig ritme. Judas’ aanwijzing (‘Welchen ich küssen werde, der ist’s, den greifet’) klinkt fluisterachtig. Judas’ begroeting van Jezus klinkt hoog en vals. Jezus’ reactie, ‘Mein Freund, warum bist du kommen?’ klinkt nog even teder en liedevol als altijd, versterkt door de notenlijn die Bach eronder plaatst.

33. So ist mein Jesus nun gefangen (duet, sopraan en alt)

Twee vrouwen die het gebeuren hebben gadeslagen, klagen over de gevangenneming van Jezus – Bach voegt dit in, de evangelist maakt geen melding van de aanwezigheid van vrouwen. Het begin klinkt even berustend als weemoedig. ‘Gefangen’ krijgt veel aandacht, ruim zeven maten. Het koor van gelovigen wil de gevangenneming tegenhouden – waar het aanvankelijk klinkt als een treurmars, gaat het geleidelijk over in woede. Voor veel luisteraars is dit een muzikaal hoogtepunt in de Matthäus; ‘Sind Blitze, Sind Donner in Wolken Verschwunden’. Explosief, angstaanjagend, onstuitbaar. Het crescendo is adembenemend, eindigend in een lange rust (met fermate) – een contrasterende stilte. De rust staat symbool voor de afgrond. Daarna klinkt de moordlustige roep van de gemeente tot Judas’ verderf: ‘Den falschen Verräter, das mördrische Blut.’

34. Und siehe, einer aus denen, die mit Jesus waren (recitatief)

Bach volgt vervolgens de evangelist op de voet: Petrus die met zijn zwaard het oor van Malchus afhakt (wie goed luistert, hoort het oor vallen). Jezus bestraft Petrus ter plekke; Jezus’ woorden klinken als een scherp zwaard (let op de dreigende triller, gespeeld door de violen). De begeleiding van de Christuspartij is sober, maar overtuigend: lange noten met een indrukwekkende harmonisatie. Jezus weet dat het Gods wil is dat Hem dit overkomt. Het slot, ‘da verliessen ihn alle Jünger und flohen’, klinkt somber. Al Zijn leerlingen verlaten Hem: de hoge noot op ‘alle’ steekt hoog af tegen de eenzame diepte waarin Christus moet afdalen. Dat Zijn vrienden Hem verlaten, lijkt erger dan de haat van Zijn vijanden.

35. O Mensch, bewein dein’ Sünde groß (koraal, koor I, koor II en soprano in repieno)

Een van de hoogtepunten uit de Matthaüs. Een belijdenis van de gemeente, berouwvol en ontroerend gezongen. ‘Trüg unsrer Sünden schwere Bürd, / Wohl an dem Kreuze lange.’ Bach laat de melodienoten traag passeren, zo traag, dat de Geneefse melodie (Psalm 36/68) nauwelijks meer herkenbaar is. Het is een geniale koraalbewerking, met de melodie in de sopraan. Bach heeft de eerste en laatste noot van elke regel verlengd, waardoor het koraal een vermanend karakter krijgt. Een opvallend detail in de bas: onder ‘wohl an dem Kreuze’ een octaafsprong, de diepte in om de diepte van het lijden te peilen. Het ‘lange‘ in de laatste regel lijkt met grote eerbied gezongen te worden, alsof de gemeente opstaat om de lijdende Christus hulde en eer te bewijzen. Oorspronkelijk was dit koraal het openingskoor van de Johannes Passion.

Hiermee eindigt het eerste deel; normaliter volgt een pauze – waarin vroeger tijden gepreekt werd.

Tweede deel (no. 36 t/m 78; doorgaans gezien als de staande balk van het kruis)

36. Ach! nun ist mein Jesus hin! (aria; alt, koor I en koor II)

Een van de vrouwen bezingt het droevige lot van Christus. Koor en alt wisselen elkaar af: ‘Wo ist denn dein Freund hingegangen? …’ En het antwoord: ‘Is es möglich, kann ich schauen?’ Het ‘ach‘ laat Bach breed klinken: klagend, bijna zeurend. Hoewel het koor van de gelovigen de vrouw (Maria) wil helpen, blijft de klacht over en eindigt het stuk waar het mee begon: ‘Ach! wo ist mein Jesus hin?’ Grote delen van de tekst zijn afkomstig uit het Hooglied.

37. Die aber Jesum gegriffen hatten (recitatief)

Een sober recitatief waarin het de leugen en het vals getuigenis aan de orde komen. Kajafas, de hogepriester, is volgens Bach toch ook een gezalfde des Heeren: de eerste lettergreep van zijn naam wordt met een septimesprong bereikt, een halve toon hoger dan Petrus. De Ältesten worden door Bach op hetzelfde niveau ingeschaald (maar zonder septimesprong).

38. Mir hat die Welt trüglich gericht’t (koraal; koor I en koor II)

Doorgaans volgt óp de gebeurtenis een koraal in de Matthäus; hier een koraal midden in de handeling.

De gemeente weet zich aan Christus verbonden: Zijn lot is ook hun lot. De gelovigen bidden in dit koraal om Gods bijstand (‘Herr, nimm mein wahr in dieser G’fahr’). Bach accentueert de woorden Lügen (let op de dissonant!), falschen (2x) en Stricken.

39. Und wiewohl viel falsche Zeugen herzutraten (recitatief)

De getuigen die een valse verklaring afleggen klinken onzeker, spottend, humorvol. Nadat ze zijn uitgepraat, gaat de begeleiding nog even door – alsof de getuigen opgewonden door elkaar praten en tegen elkaar opbieden. Jezus’ zwijgen staat in schril contrast met de leugens van de getuigen en de vraag van hogepriester Kajafas. Het ‘aber‘ krijgt een hoge noot; Jezus’ stilte is een zwijgen vanuit de diepte.

40. Mein Jesus schweigt zu falschen Lügen stille (recitativo; tenor)

Hoe geeft Bach het zwijgen van Christus gestalte? De begeleiding (twee hobo’s en een gamba) spelen korte akkoorden met korte tussenpozen, zonder instrumentaal motief. Van de ondersteuning gaat grote rust uit, hetwelk het zwijgen (dat door de tenor wordt meegedeeld) nog sterker naar voren doet komen.

41. Geduld, Geduld! (aria; tenor)

De begeleiding, die hier vorm krijgt door de gamba, lijkt een moeizame weg af te leggen. Geduld is geen vrucht van ’s werelds akker, ‘Leid ich wider meine Schuld‘. Op het ‘Geduld‘ volgt telkens een ritmisch motief in de begeleiding. Onder geduld een evenwichtig, gelijk ritme, terwijl het ongeduld ongelijk en onevenwichtig wordt aangeduid door Bach.

42. Und der Hohepriester antwortete (recitatief)

De Hogepriester ondervraagt Jezus op plechtige wijze; op eenvoudige, maar daardoor juist waardige wijze antwoordt Christus. Jezus antwoordt haast laconiek en provocatief, maar het blijft soeverein klinken. Vervolgens onderstreept Bach het koningschap van Christus. Hij zal (terug)komen op de wolken van de hemel. Bach accentueert hier diverse woorden: ‘Menschen Sohn‘ (door snelle noten in de violen, als een stralenkrans), ‘Kraft‘ en ‘Himmels‘ (door opnieuw hevige bewegingen in de strijkpartij). De aanwezigen zijn daarna in hevige beroering: vijftien keer klinkt het, onrustig en opgehitst: ‘Er is des Todes schuldig‘.

43. Da speieten sie aus in sein Angesicht (recitatief, koor I en koor II)

Christus, de Messias, wordt geslagen en bespot. Het ‘Weissage uns, Christe’ (profeteer ons) klinkt spottend, onrustig, lasterend. De beide koren zetten schier bijtend na elkaar in, maar naar het einde toe komt de spot bij elkaar: ‘Wer ist’s, der dich schlug?‘ – alsof de soldaten zich bewust zijn van de ernst van de situatie.

44. Wer hat dich so geschlagen (koraal, koor I en koor II)

Het contrast met het vorige recitatief kan bijna niet groter: de gemeente van God erkent Christus’ onschuld. De koren zingen een sobere, weeïge melodie; desondanks enigszins verontwaardigd. Ontroerend hoe Bach harmoniseert: let op de tenoren onder ‘Missetaten‘.

45. Petrus aber saß draußen im Palast (recitatief)

In dit recitatief wordt de verloochening van Petrus bezongen. Scherp klinkt het contrast tussen de discipel en de twee dienstmeisjes. De meisjes klinken oprecht geïnteresseerd, voorzichtig, maar hier en daar ook gemeen – alsof ze hem in de val willen lokken. De meisjes reageren op elkaar, volgen elkaar soepel op. Petrus wil overtuigend overkomen, maar het tegendeel is het geval. Hij klinkt twijfelend, zenuwachtig. Het ‘Ich kenne‘ begint hoog, maar heeft een dalende lijn, waarmee Bach Petrus’ leugen weergeeft.

46. Da hub er an sich zu verfluchen und zo schwören (recitatief)

Bach heeft Petrus’ ontkenning op indringende wijze vertaald: onder ‘Menschen nicht‘ een (verboden) kwintparallel. De sextsprong onder ‘Ich kenne‘ zal in de volgende aria terugkomen. Wie goed luistert, hoort de haan kraaien (‘krähete der Hahn’). Ook het ‘weinete bitterlich’ is rijk versierd; de luisteraar kan – net als Petrus – amper zijn tranen bedwingen.

47. Erbarme dich (aria, alt)

Waarschijnlijk de meest bekende aria; vaak ten gehore gebracht op begrafenissen. Nooit zijn verdriet en berouw zo intens op muziek gezet. De sextsprong waarmee het stuk opent, is een directe reactie op de verloochening van daarvoor. De viool geeft het stuk extra dimensie – het roept een sfeer van boetvaardigheid, nederigheid en rouw op. Een lange aria met tal van interessante details: zo speelt de baslijn in de eerste maten de noten van het koraal ‘O Haupt voll Blut und Wunden’. Opvallend dat dit een aria voor alt is: wanneer een man huilt, klinkt zijn stem doorgaans hoger.

48. Bin ich gleich von dir gewichen (koraal, koor I en koor II)

De gemeente reageert op de belijdenis van Petrus met dit milde en serene koraal. Het is het enige koraal in de Matthäus dat volgt op een aria; doorgaans volgt een koraal op het schriftgedeelte. Een pleidooi op Gods genade en geduld (‘Aber deine Gnad und Huld / ist viel grösser als die Sünde’). De gemeente schaart zich met het koraal aan de kant van Petrus: ook zij heeft schuld en dwaalt zo vaak van Christus af. Een deemoedig koraal waarin uitbundigheid niet op z’n plaats is.

49. Des Morgens aber hielten alle Hohenpriester (recitatief)

Judas’ berouw; hij beseft dat hij Jezus, de onschuldige, verraden heeft (‘unschuldig Blut’). Het berouw van Judas klinkt anders dan het berouw van Petrus (#47). De priesters schuiven de schuld af op Judas (‘du zu’).

50. Und er warf die Silberlinge in den Tempel (recitatief)

Judas werpt boos en opgejaagd de verkregen zilverlingen in de tempel. Weg ermee! Vervolgens verhangt hij zichzelf, hoewel Bach dit discreet verwerkt, klinkt het angstaanjagend. Listig klinkt uit de mond van de priesters het ‘Blutgeld‘, wat de tweede keer gepaard gaat met een triller, alsof zij huiveren voor wat er gebeurd is. Tegelijk klinkt hun reactie op het gebeuren afstandelijk en meedogenloos (‘Er taugt nicht…’)

51. Gebt mir meinen Jesum wieder (aria)

De aria is in G-majeur (G-dur) getoonzet: in de barok werd dit gezien als ‘de sleutel van zegen’.  Het is een opgewekte toonsoort. Een regelmatige, gebruikelijke en stevige maatsoort (4/4) met accenten op de eerste tel. De vierkwartsmaat houdt je bij de les, het verlevendigt de (ca)dans  en verhoogt de concentratie. Als vanzelf ga je meetellen of meetikken. Als we naar de partituur kijken, zien we een van Bachs sterke kanten: met noten de tekst als het ware illustreren, inkleuren, aankleden. Wie goed luistert, hóórt de rinkelende zilverlingen. Mooi gevonden! Ook in de partituur zijn de muntstukken te zien. En wellicht heeft Bach met de staccatobewegingen als het ware het wegwerpen van het ‘Mörderlohn’ weergegeven. Verder zien we dat de uitroep ‘Jesum’ vrij lang aanhoudt. We horen er onmacht, affectie en melancholie in. Het is te laat. Jezus is overgeleverd. En ik ben er schuldig aan. Geef Hem terug, Hij is van mij. Het is ‘meinen Jesum’. Het geloof zit in bezittelijk voornaamwoorden, zei Luther, door wie Bach zich liet inspireren: mijn Heer’, mijn God. En is de cadans die tot de laatste maat aanhoudt, niet de blik van de overpriesters? Je kan zeggen wat je wilt, maar wij hebben er geen boodschap aan. Het feest moet doorgaan. Val ons niet lastig. Onverstoorbaar, opwekkend gaat het door. Om geen genoeg van te krijgen. [Lees verder over deze aria…]

52. Sie hielten aber einen Rat (recitatief)

Op Pilatus’ vraag (waarin je twijfel hoort doorklinken) of Jezus de Koning van de Joden is, antwoordt Jezus sober doch majesteitelijk: ‘Du sagest’s.‘ Hier straalt Zijn macht en glorie – nu al. Jezus hult zich verder in stilzwijgen – bij Bach klinkt dat niet als een gelaten ondergaan van onrecht, maar een bewuste keuze.

53. Befiehl du deine Wege (koraal, koor I en koor II)

Vijfmaal komt dit koraal voor in de Matthäus (‘O Haupt voll Blut und Wunden’/’Herzlich thut…’; 21, 23, 53, 63, 72), telkens in een andere toonsoort. Ogenschijnlijk eenvoudig, met telkens een prachtige harmonisatie. In dit geval verdienen ‘Wolken’ en ‘finden‘ in de tenor en ‘Lauf und Bahn’ in de bas extra aandacht. Het koraal hier is géén reactie op het voorgaande, maar staat los, als bemoediging.

54. Auf das Fest aber hatte der Landpfleger Gewohnheit (recitatief)

Een relatief lang recitatief. Het volk reageert eenstemmig en overtuigend op de vraag van Pilatus wie hij moet loslaten: Barabbas of Jezus. Onderwijl probeert Pilatus’ vrouw, zenuwachtig geworden door een droom in de nacht, haar man op andere gedachten te brengen. Het dubbelkoor antwoordt een- en achtstemmig op de vraag van Pilatus: ‘Barrabam!‘ Aangrijpend, fel en onverbiddelijk hoe het volk zich hier van Jezus afmaakt. Het ‘Lass ihn kreuzigen‘ klinkt rommelig – volk maakt een opgehitste en bloeddorstige indruk.

55. Wie wunderbarlich ist doch diese Strafe! (koraal)

Een koraal waarin het thema schuld centraal staat: ‘… die Schuld bezahlt der Herre, der Gerechte, für seine Knechte.’ ‘Straffe’ klinkt wrang; verder krijgen ‘Schafe’ en ‘Gerechte’ en ‘Knechte’ nadruk. Hier geldt Gods logica: de Herder lijdt voor de schapen (cf. Zacharia 13). Het koraal is hetzelfde als no. 3. Bach begint het koraal – heel ongebruikelijk – met een B7-akkoord.

56. Der Landpfleger sagte (recitatief)

Het klinkt zo eenvoudig wat Pilatus vraagt: ‘Was hat er denn Uebels getan?’ In de woorden klinkt verdriet en vertedering door. Een retorische vraag waar geen antwoord op volgt – hoewel, in het volgende stuk geeft de gelovige antwoord.

57. Er hat uns allen wohlgetan (recitativo, sopraan, koor I)

Halverwege wijzigt de toonsoort; in C-dur klinkt het overtuigend: ‘.. .sonst hat mein Jesus nichts getan.’ Het klinkt nóg eenvoudiger dan de vraag van Pilatus van zo-even.

58. Aus liebe will mein Heiland sterben (aria)

Een van de parels uit de Matthäus. Hier zijn stem en instrument in volmaakte balans. Een lieflijke melodie, passend bij de tekst. Geen continuo, de muziek zweeft in de lucht als ware het hemelse muziek. Liefde was het, wat Christus deed sterven. Uit liefde stierf Hij. In deze aria straalt de schoonheid van Christus’ liefde. Zijn liefde maakt dat ‘nichts, nichts’ van zonde of vervloeking op ons blijft rusten.

59. Sie schrieen aber noch mehr, und sprachen (recitatief)

De overgang is abrupt; het volk schreeuwt het uit, trekt zich niets van Christus aan. Pilatus wast zijn handen onschuld; door zijn handen te wassen trekt hij zijn handen van Christus af. ‘Ich bin unschuldig an der Blut dieses Gerechten…’ Dramatisch klinkt uit vele monden: ‘Sein Blut komme über uns und unsre Kinder!’ Een tekst die door de eeuwen heen op talloze wijzen misbruikt is om het joodse volk in kwaad daglicht te stellen. Hier klinkt het kruisigingskoor triomfantelijk en overtuigd van wat ze van plan is. Opvallend dat ‘gekreuziget’ heel sober klinkt.

60. Erbarm es Gott! (recitativo, alt)

Terwijl Christus wordt gegeseld bidt de gelovige om ontferming. De geselslagen zijn terug te horen in het ritme van de begeleiding. Angstaanjagend klinkt ‘o Schläg’ (‘o slag’) en verwijtend jegens de beulen ‘Herz’ (in: ‘Ach ja, gij hebt een hart…’).

61. Können Tränen meiner Wangen (aria, alt)

Een klagende alt, begeleid door het strakke maar ook onrustige ritme van de strijkers. Een innig gebed: ‘O, so nehmt mein Herz hinein!’ Een ontroerende aria; de geselingen van de beulen gaan door merg en been; in de melodie klinken de tranen van de gelovige (vrouw) door. Bach heeft tekst en melodie ingenieus verweven: tranen baten hier niet, het enige dat de gelovige kan doen is zijn gehele hart aan Christus wijden.

62. Da nahmen die Kriegsknechte des Landpflegers Jesum… (recitatief)

Opvallend is dat de koninklijke attributen (‘Purpurmantel’, ‘Dornenkrone’, ‘Rohr’) geen bijzonder accent krijgen; ‘spotteten’ en ‘sprachen’ wel. De soldaten bespotten en honen Christus: ‘Gegrüsset seist du, Judenköning!’ De trillers versterken deze bespotting. Hier klinkt geen ongeremde haat, maar gemene plagerij. Fel en boosaardig klinkt het: ‘Judenköning!

63. O Haupt voll Blut und Wunden (koraal)

Het koraal klinkt hier tweemaal; Bach geeft zo de verootmoediging van de kerk een centrale plaats in het stuk. In het eerste couplet klinkt treurnis over het aangedane lijden (‘Jetzt aber hoch schimpfiret’), in het tweede klinkt ook aanbidding door – een centraal begrip in het Mattheusevangelie door, de koning der Joden wil aanbeden worden (‘Du edles Angesichte’). Van dit koraal van Paul Gerhardt heeft Bach het hier de hoogste ligging gegeven (F-dur/D-min, beginnend op een a) – daarmee vooruitlopend op Christus’ verhoging. Het tweede couplet wordt doorgaans zachter gezongen.

64. Und da sie ihn verspottet hatten (recitatief)

In de notenpartij is onder ‘kreuzigten‘ het kruismotief te herkennen; een dramatisch figuur, passend bij deze wrede dood. Dat Simon van Cyrene het kruis niet vrijwillig op zich neemt en dus niet uit liefde Christus te hulp schiet, laat Bach blijken uit het accent op ‘zwungen‘ (dwongen).

65. Ja! freilich will in uns das Fleisch und Blut (recitativo, bas)

Hier horen we Simon van Cyrene zingen; hij werd door de Romeinen gedwongen het kruis van Christus te dragen. ‘Je mehr es unsrer Seele gut / Je herber geht es ein.’ Wie goed luistert, hoort het verzet van de mens tegen het kruis dat hem opgelegd wordt. Wanneer het kruis eenmaal opgelegd en gedragen wordt, komt er berusting – zou Bach daarmee de omgang met kruis en lijden in zijn eigen leven hebben weergegeven? De gelovige draagt in navolging van Christus zijn kruis – dat hem loutert en omhoog stuwt.

66. Komm, süßes Kreuz (aria, bas)

Een der mooiste aria’s uit de Matthäus waarin Bach de paradox van het lijden weergeeft: het kruislijden, hoe bitter ook, bevat ook iets zoets (‘süßes Kreuz’). De gelovige bidt of Christus hem te hulp wil komen bij het dragen van zijn eigen kruis. De viola da gamba speelt een zwaar ritme, de gamba wordt daarbij begeleid door lage instrumenten waarmee Bach de zwaarte van het kruislijden weergeeft.

67. Und als sie an die Stätte kamen mit Namen Golgatha (recitatief)

Christus wordt gekruisigd op Golgotha; Zijn klederen worden onderaan Zijn kruis verdeeld (zoals in Psalm 22 was voorzegd) en de menigte lastert Hem. Het volk treedt hier naar voren in het dubbelkoor. Let op het verschil tussen de spot van de menigte en de lastering van de religieuze leiders. ‘So steig herab’ laat Bach in dalende lijnen klinken – met in de bas zelfs octaafsprongen.

68. Desgleichen schmäheten ihn auch die Mörder (recitatief).

Een zeer kort recitatief (14 seconden). De moordenaars, links en rechts van Jezus aan een zelfde kruishout gehangen, delen actief in het lasteren van Jezus. Let op de begeleiding onder ‘Mörder’ en de zeer korte stilte die Bach laat vallen.

69. Ach Golgatha, unselges Golgatha! (recitativo; alt, koor I)

In de begeleiding horen we het snikken en de treurnis over het lijden terug. Het lijden grijpt aan en stemt tot nadenken: ‘Dat gehet meiner Seele nah; / Ach Golgatha, unselges Golgatha!’ Klagend klinkt ‘Golgatha’ en barbaars klinkt ‘Kreutz’. 

70. Sehet, Jesus hat die Hand (aria; alt, koor I en koor II)

Het koor stelt verschillende malen dezelfde vraag, vertwijfeld, licht angstig: ‘Wohin?’, ‘Wo?’ en ‘Wo?’ Het antwoord van de treurende alt luidt steevast: in Jezus’ armen. Het treuren van de gelovige kan slechts door Jezus gestild worden. Bij Hem komt de gelovige tot rust (‘Lebet, sterbet, ruhet hier’). In Jezus’ ondergang schuilt onze redding; het koor wijst met de vraag de juiste richting. In deze aria wordt dezelfde ritmische figuur gebruikt als in het slotkoor van deel I van de Matthaüs [no. 35].

71. Und von der sechsten Stunde an (recitatief)

In dit recitatief wordt Christus’ dood bezongen, een van de meest aangrijpende momenten uit de wereldgeschiedenis. Hier klinkt de afgrond van het kruislijden en de godverlatenheid. Jezus ‘schriee Jesus laut’: vrijwillig offert Hij Zijn leven. Halt, halt, lass sehen, ob Elias komme und ihm helfe.’ Dat is de reactie van het koor op Jezus’ meest verbijsterende uitroep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Sober klinkt het moment van Jezus’ heengaan. Met een akkoord wordt Zijn schijnbare einde bezegeld.

72. Wenn ich einmal soll scheiden (koraal; koor I en koor II)

Opnieuw, voor de laatste maal dit koraal (‘Herzlich tut mich verlangen’, zie 21, 23, 53, 63). In het koraal klinken berusting en bezinning door. Hier vraagt vooral de tekst aandacht; ‘So reiss mich aus den Aengsten / Kraft deiner Angst und Pein.’ De gelovigen bidden of de Heiland hen in hún lijden nabij wil zijn; ‘Wen ich den Tod soll leiden, / So tritt du dan herfür!’ Hier geen treurnis over het lijden van Christus, maar een gebed om troost. De ligging is, in tegenstelling tot het vorige koraal [no. 63], laag: Bach onderstreept het sombere en ernstige karakter van de tekst.

73. Und siehe da, der Vorhang im Tempel zerriß in zwei Stück’ (recitatief)

Een hoogtepunt uit de Matthäus – omdat het een hoogtepunt in het evangelie is. De aarde beeft, de rotsen scheuren en de graven openen: opmerkelijk realistisch hoe Bach deze gebeurtenissen in muziek omzet. ‘Vorhang’ heeft een hoge noot, ‘bis unten aus’ zeer laag. In de partituur is een notengordijn te zien dat middendoor scheurt. Het brengt de hoofdman over honderd (centurio) tot de overtuigende belijdenis: ‘Wahrlich, dieser ist Gottes Sohn gewesen.’ Een bij het Mattheüsevangelie passende belijdenis: eerst zijn het de magiërs (wijzen uit het oosten) die Christus koninklijke eer bewijzen, hier is het een Romeinse official. Bach geeft geen aanwijzing hoe de belijdenis van de official dient te worden gezongen, dit is aan de interpretatie van de dirigent. Een recitatief waarin de macht en majesteit van Christus worden bezongen dat maar een reactie kan oproepen, van jood en heiden: de belijdenis dat Jezus de Heer is.

74. Am Abend, da es kühle war (recitativo, bas)

Een recitatief met een meditatief karakter. We betreden heilige grond, de strijkers laten ons de rust van de avond ervaren. Jozef van Arimathea heeft Pilatus om het lichaam van Jezus verzocht en krijgt permissie Jezus te begraven. Hij doet dat met veel eerbied en waardigheid. De begeleiding roept veel kalmte op (‘es kühle war’, ‘Am Abend kam die Taube wieder’, ‘Sein Leichnam kommt zur Ruh’). Het staat in schril contrast met het lijden van zo-even. De val van Adam kwam (ook) in de avond openbaar, zo meldt de tekst, dat riep angst en verberging op, hier is het avond en is er rust; de gelovige weet dat Jezus’ dood de deur opent naar het leven.

75. Mache dich, mein Herze, rein (aria, bas, koor I)

Een intense aria waarin de bas de wens uit om Jezus zelf te begraven (‘Ich will Jesum selbst begraben’). Een rustige aria, vol vertrouwen gezongen, een rouwlied. Bach laat er vreugde in doorklinken, de gelovige vertrouwt zich aan Christus toe en weet zich veilig en geborgen – ook bij de dode Jezus.

76. Und Joseph nahm den Leib (recitatief, koor I)

Jozef van Arimathea neemt met grote zorg en tederheid het lichaam van Christus en legt het in het graf. De zorg van Jozef staat in schril contrast met de onrust van de overpriesters en schriftgeleerden. Zij realiseren zich dat Christus gezegd heeft na drie dagen te zullen opstaan. Het opstaan (‘Ich will nach dreien Tagen wieder auferstehen’) heeft Bach vertolkt door opklimmende tonen. Wie goed luistert, hoort dat een grote, zware steen voor het graf wordt gerold. Hier vervliegt alle hoop…

77. Nun ist der Herr zu Ruh gebracht (recitativo, sopraan, alt, tenor, bas, koor I en koor II)

Nog eenmaal komen de solisten langs; de gemeente beantwoordt hun belijdenis met ‘Mein Jesu, gute Nacht!’ als ware het een slaapliedje. Een innemende melodie, vol bewogenheid en passie. Het stuk dooft rustig, de gelovigen hebben er vrede mee dat Christus in het graf is gelegd.

78. Wir setzen uns mit Tränen nieder (koor I, koor II)

Met een majestueus slotkoor, dat iets paselijks heeft, laat Bach de Matthäus eindigen. Daarmee zijn we terug bij het begin; wat rest is een zegenwens aan Christus, onder tranen. ‘Ruhet sanfte, ruhet wohl.’  Het ‘Ruhe sanfte’ wordt afwisselend gezongen, minder krachtig, passend bij de tekst. Prachtig hoe de dissonant aan het slot oplost, alsof Bach wilde zeggen: het komt goed, het wordt Pasen. De voorthouding (groot septiem) lost naar boven toe op. Er blijft een rust over, niet de rust van Goede Vrijdag, maar de eeuwige rust.

Na de Matthäus verlaat de gemeente de kerk of concertzaal in stilte.

 

Literatuur
  • Brandt Buys, H. (1950). De Passies van Johann Sebastian Bach. Leiden: Stafleu
  • Höweler, C. (1958) Bach’s Matthäuspassion als belijdend geestelijk drama. Zeist: W. de Haan
  • Moor, O. de (z.j.). De Matthäus-Passion van Bach. Baarn: Bosch & Keuning N.V.
  • Leeuw, G. van der (z.j.) Bach’s Matthaeuspassion. Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Holland

Overig