Bachs vertolking van Johannes’ lijdensevangelie

‘Aan de hand van Johann en Johannes’

Toelichting op de Johannes Passion; laatste update: 24 februari 2024
Overname is toegestaan onder bronvermelding: hansalderliesten.nl, 2024.

Ter inleiding

Elk jaar lijkt de lijdens- of passietijd korter op de kersttijd te volgen. De klanken van de Christmas Carols en het Weihnachtsoratorium zijn nauwelijks weggestorven, of de Passies dienen zich alweer aan. Dit jaar heb ik me voorgenomen me in de Johannes Passion te verdiepen. Veel minder bekend dan de Matthaüs, maar niet minder mooi. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik weinig van de Johannes Passion weet – ja, ik ken een paar delen uit de passie, waarbij het Ruht wohl mijn favoriet is. En ja, ik weet dat Bach ook bij deze Passie delen uit de wereldlijke cantates heeft gerecycled. De Johannes is korter en zou vooral intenser en krachtiger zijn dan de Matthaüs. Zou dat inderdaad zo zijn? Ik ben benieuwd. Bij wijze van luisterverslag zal ik de komende periode dit artikel aanvullen.

Johannes’ evangelie is andersoortig dan de andere evangeliën. Als een adelaar zweeft Johannes boven de gebeurtenissen. Hij plaatst brede accolades, zo grijpt hij aan het begin van zijn evangelie terug op het scheppingsverhaal. Keer op keer benadrukt Johannes de goddelijkheid – met dito heerlijkheid en majesteit – van Christus. De zeven door Johannes beschreven wonderen als zeven tekenen (sēmeion) van Jezus’ goddelijkheid. Veertien maal een ‘Ik ben’-uitspraak (ego eimi); zevenmaal om eenvoudigweg Zijn aanwezigheid en nabijheid duidelijk te maken en zevenmaal om Zijn identiteit nader te openbaren. En dan de personages die we alleen bij Johannes tegenkomen: Nicodemus, de Kananese vrouw, Jozef van Arimathea, Thomas. Tot slot, het cruciale uur van Christus: waar Hij Zijn moeder terechtwijst in Kana omdat Zijn uur nog niet is aangebroken, blijkt uit Johannes’ relaas de kruisiging Zijn verhoging te zijn. Zou dit alles een rol spelen in Bachs vertolking van het lijdensverhaal?

Johannespassion: facts and figures

  • Bach voerde de Johannes Passion voor het eerst uit op 7 april 1724 (Goede Vrijdag; in de Thomaskirche te Leipzig) – waarschijnlijk in 1727/8, 1732/8 en 1742/9 nogmaals
  • De Johannes Passion bestrijkt de hoofdstukken 18 en 19 van het Johannesevangelie; beginnend bij de gevangenneming van Jezus en eindigend met Jezus’ begrafenis.
  • De evangelietekst wordt gezongen door de tenor
  • In de oorspronkelijke versie was ‘O Mensch, bewein dein Sünde groß’ het openingskoor; Bach verplaatste dit naar de Matthaüs, waar het de afsluiting van het eerste deel vormt.
  • In de oorspronkelijke versie was ‘Christe, du Lamm Gottes’ het slotkoor; Bach voegde dit stuk later bij Cantate 23 (‘Du wahrer Gott’)
  • ‘Johannes (…) laat eigenlijk geen pauzen in de tekst toe, zodat het er soms op lijkt of Bach zijn aria’s er met geweld bij in moest voegen’ (Vos, 1975)
  • De recitatieven worden door het orgel begeleid; uitzondering hierop vormen de woorden van Jezus – Bach schrijft voor dat hiervoor een andere klankkleur moet worden gebruikt
  • Op twee plaatsen voegt Bach teksten uit het Mattheüsevangelie toe: (1) het wenen van Petrus na het kraaien van de haan en (2) het scheuren van het voorhangsel in de tempel, de aardbeving, het splijten van de rotsen en de opstanding van doden na de dood van Christus
  • De Johannes Passion bevat twaalf koralen; Bach heeft nooit bedoeld dat de gemeente deze zou meezingen (harmonisatie en ligging van de koralen maakt dit veelal ook onmogelijk)
  • In de Johannes Passion komen vijf scenes aan de orde: de gevangenneming in de Hof van de Olijven, het verhoor bij de Hogepriester, de geseling bij Pilatus, de kruisiging op Golgotha en de begrafenis in de tuin van Arimathea. Elke scene wordt afgesloten met een koraal.

1. Herr, unser Herrscher, dessen Ruhm (koor)

Het kan maar gelijk duidelijk zijn, moet Bach gedacht hebben: al in de eerste maat klinken de noten es, d en g: weliswaar in een andere volgorde, maar bij Bach staat dit voor S(oli) D(eo) G(loria). Alleen aan God de eer. De toon is gezet. Hier geen oproep tot klagen, maar oproep tot lofprijzing. De dissonanten van de fluiten en hobo’s voorspellen weinig goeds; het staat in contrast met de majestueuze uitroepen ‘Herr’. De woorden doen sterk denken aan Psalm 8. De laatste regel van het slotkoraal sluit hier naadloos op aan: ‘Ich will dich preisen ewiglich!’

2. Jesus ging mit seinen Jüngeren über den Bach Kidron (recitatief)

In de recitatieven geeft Bach niet zelden namen of plaatsen een speciaal accent; we horen Jezus de beek oversteken – let op de voorslag. Al is dat laatste afhankelijk van de solist; solisten bepalen in hoge mate de wijze waarop een recitatief wordt uitgevoerd, de begeleiding dient de solist(en) te volgen en dat kan betekenen dat dirigenten ervoor kiezen om de recitatieven niet te dirigeren. De evangelist wordt gezongen door een tenor. ‘… Fackeln, Lampen und mit Waffen’ klinkt onheilspellend – en dat is het ook. Judas komt niet met goede bedoelingen. Jezus weet echter wat Hem zal overkomen; een rustige notenrij zonder al te grote sprongen. Jezus doet een stap naar voren; soeverein en overtuigend (‘ging er hinaus’). Jezus is op weg naar Zijn verhoging!

3. Jesum, Jesum (koor)

De bende antwoordt kort en krachtig: ‘Jesum!’ Dat klinkt tweemaal en driemaal klinkt: ‘Jesum von Nazareth.’ Een opgehitste menigte die recht op hun doel afgaan.

4. Jesus spricht zu ihnen (recitatief)

In schril contrast met het voorgaande staat Jezus’ antwoord. Met twee kwartnoten spreekt Hij overtuigend: ‘Ich bin’s!’ Dat klinkt tweemaal, zo overtuigend dat het schier ongeloofwaardig is. Bach loopt er niet voor weg Judas af te schilderen als gemeen, stiekem, geniepig. Als Jezus opnieuw aangeeft dat Hij het is die ze zoeken, deinst de menigte terug en vallen ze op de grond (‘wichen sie zurücke und fielen zu Boden’). Jezus vraagt opnieuw naar wie ze op zoek zijn. De ironie van deze woorden klinkt in Bachs vertolking door.

5. Jesum, Jesum (koor)

Voor de tweede maal horen we het koor ‘Jesum, Jesum, Jesum von Nazareth’ scanderen – bijna zoals in het vorige koor [no. 3], maar met kleine verschillen, waarvan de as op ‘Nazareth’ in het oog springt.

6. Jesus antwortete (recitatief)

Jezus antwoordt daarop dat Hij hen reeds heeft gezegd dat Hij het is, maar verzoekt de bende Zijn leerlingen te laten gaan – Jezus’ stem klinkt teder en pastoraal.

7. O große Lieb’, o Lieb ohn alle Maße (koraal)

Een prachtig, ingetogen en ontroerend koraal. De gemeente houdt haar adem in: ‘O große Lieb’. De harmonisatie kent veel chromatiek: het duidt op emotionele betrokkenheid. De tekst, geschreven door Johann Heermann (1630), drukt intense emoties uit van liefde, verdriet en aanbidding jegens Jezus Christus.

8. Auf daß das Wort erfüllet würde (recitatief)

Hier wordt de vervulling van de profetieën en het goddelijke plan dat zich ontvouwt te midden van Jezus’ lijden en dood bezongen. Christus klinkt vastberaden, Petrus slaat wild om zich heen. Het uittrekken van het zwaard (‘… ein Schwert, und zog es aus’) heeft Bach fraai vertolkt met een opklimmende notenrij (d- fis – a – c). Zo ook het slaan van Petrus (‘und schlug’): een behoorlijke sprong (a – fis); vergelijkbaar met de val (interval) van het oor (f – b). Bach laat Christus tweemaal zingen ‘… den mir mein Vater gegeben hat’, met een schijnbaar open einde (A-gr).

9. Dein Will’ gescheh’, Herr Gott, zugleich (koraal)

De gemeente bidt of zij het eens mag worden met God wil, om gehoorzaamheid in liefde en lijden en of dat alles dat tegen Gods wil strijdt, geweerd mag worden. De eerste regel is een zin uit het ‘Vater unser’ zoals dat ook in lutherse kringen gehanteerd werd. Luthers versie van het Onze Vader is veel uitgebreider dan de Nederlandse versie; zo staat Luther uitgebreid stil bij begrippen als lijden, schuld, geduld en gehoorzaamheid – wat we ook in dit koraal terug zien komen.

10. Die Schar aber und der Oberhauptman (recitatief)

Opvallende ritmes onder ‘banden ihn’ en ‘umbracht’. Gemeen en onheilspellend klinkt Kajafas advies aan de Joden (‘der den Juden riet’) dat het goed zou zijn (‘es wäre gut’) dat één mens voor het volk zou sterven. Of Kajafas overtuigd is van zijn eigen gelijk, is de vraag, de hoge noten doen anders vermoeden.

11. Von den Stricken meiner Sünden mich zu entbinden (aria, alt)

‘Om mij uit de boeien van mijn zonden los te maken, wordt mijn Heiland gebonden’, zo luidt de tekst. Zonden klinken laag. Loskomen (‘entbinden’) klinkt telkens tweemaal – blijkbaar is dat niet in een keer geregeld. Het loskomen heeft een notenbeweging van laag naar hoog en vice versa, met wisselende ritmes, op ‘[ent]bin[den]telkens een snel figuur (met uitzondering van de laatste maal dat het gezongen wordt). In de tweede regel, ‘Om mij van alle gezwellen van mijn slechtheid volledig te genezen, laat Hij zich verwonden’, wordt het ‘völlig zu heilen’ tweemaal na elkaar bezongen – parallel aan het ‘entbinden’. Even later staat ‘völlig’ zelfs vijfmaal in de schijnwerpers: de eerste tweemaal met een neergaande notenbeweging, de laatste keren met een opwaartse beweging. Dan volgt een meer uitgebreide herhaling van de eerste regel van de aria, waarbij in het slot de nadruk valt op ‘mich zu entbinden’: de laatste maal dat de alt dit zingt, blijven de snelle noten op ‘bin’ achterwege en krijgt het gebonden worden van de Heiland veel nadruk door een lange, laatste noot. Een rustig en repeterend basmotief begeleidt de alt en hobo’s – deze laatste raken verstrikt in elkaars notenrij.

12. Simon Petrus aber folgete Jesu nach (recitatief)

Een zeer kort recitatief waarin Petrus en ‘de andere leerling’ (‘und ein and’rer Jünger’) tegenover elkaar worden gezet. ‘De andere leerling’ is Johannes, die zichzelf in zijn evangelie verdekt opstelt, vaak door hem aangeduid als ‘de discipel die Jezus liefhad’ (cf. Joh. 13,23; 19,16; 21,7; 21,20) – de Vroege Kerk heeft zich altijd in hem (en Maria van Magdala) herkend. In dit recitatief krijgt ‘nach’ nadruk; het onopgeloste akkoord suggereert dat het navolgen niet compleet was.

13. Ich folge dir gleichfalls mit freudigen Schritten (aria, sopraan)

Een wonderschone aria waarin het volgen van Christus wordt bezongen. Een zachte, lieflijke aria in een aangrijpend verhaal over lijden en schuld. De maatsoort (3/8) is uitgelegd als een verwijzing naar de Drie-eenheid, maar evenzeer als een nadere uitleg van het volgen: het volgen is vreugdevol, vol beweging, dansachtig. Een lichtvoetige vreugde, die correspondeert met de tekst van de aria: ‘mit freudigen Schritten‘. Opgaande en neergaande noten; de discipel wil Christus in alles volgen. Opvallend is dat de eerste noten van de sopraan (f, bes, c, d, es) corresponderen met de noten uit het voorgaande recitatief (in het voorgaande recitatief hebben ze betrekking op Petrus, niet op Johannes), maar hier aanmerkelijk sneller. Johannes zweeft als een adelaar hoog en traag boven de geschiedenis, voor de gelovige is het volgen concreet, tastbaar, bewegend. De laatste zin, ‘An mir zu ziehen, zu schieben, zu bitten’ (‘mij te trekken, te duwen, te vragen’), gaat gepaard met andersoortige ritmes, waarin meer ernst en urgentie doorklinkt.

14. Derselbige Jünger war dem Hohenpriester bekannt (recitatief)

De ene discipel (Johannes) volgt Jezus naar binnen, Petrus blijft buiten. Bach markeert subtiel het verschil tussen beide discipelen. Johannes meldt dat hij het is die Petrus naar binnen brengt, waarop een dienstmeisje (‘Türhüterin‘) aan Petrus vraagt of hij ook niet bij Jezus hoort. Zij klinkt even giechelig als geniepig, waarop Petrus resoluut antwoordt: ‘Ich bin’s nicht!’ Er is een kolenvuur aangemaakt door de knechten van de Hogepriester; het warmen van de handen is door Bach prachtig verbeeld, zichtbaar in de partituur, maar ook hoorbaar middels de evangelist. De Hogepriester bevraagt Jezus naar Zijn leerlingen en Zijn leer; Jezus antwoordt kalm en soeverein dat Hij altijd vrijuit gesproken heeft. Blijkbaar irriteert dit de Hogepriester en diens knechten; Jezus ontvangt een kinnebakslag (‘Backenstreich’) van een van hen – Bach geeft daar geen speciale aandacht aan in de muziek, iets dat hij later bij het wenen (Petrus) of geselen (Jezus) wel zal doen. Jezus’ reactie is niet minder soeverein: ‘Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?’ (SV)

15. Wer hat dich so geschlagen (koraal; 2 coupletten)

Dit koraal is een antwoord op Jezus’ vraag: ‘Wie heeft mij geslagen?’ De gemeente zingt deemoedig en vol deelneming dat zij het is die Christus de striemen en wonden toebrengt. Zij is schuldig aan het kruislijden, terwijl Christus geheel onschuldig is, van misdaden weet Hij niets: ‘Von Missetaten weißt du nicht.’ Een contemplatief koraal dat tot zelfinzicht dwingt: ‘Ich, ich und meine Sünden, / Die sich wie Körnlein (…) Die haben dir erreget / Das Elend, das dich schläget.’ Het koraal kent een prachtige harmonisatie in de toonsoort A groot.

16. Und Hannas sandte ihn gebunden zu dem Hohenpriester Kaiphas (recitatief)

De schoonvader van Kajafas, Annas, zendt Jezus naar Kajafas. Petrus warmt zich (‘wärmete sich’) ondertussen, in het verborgene, met lage noten, in de hoop dat niemand hem ziet.

17. Bist du nicht (koor)

Sopraan, alt, tenor en bas zingen door elkaar: ‘Bist du nicht?‘ Aan het einde van dit felle koor (Allegro!) blijkt waarvan ze Petrus eensgezind verdenken: een van Christus leerlingen te zijn (‘seiner Jünger einer’).

18. Er leugnete aber und sprach (recitatief)

Ik ben het niet – op ‘nicht’ laat Bach de nadruk vallen. Een familielid van Malchus weet het zeker: Petrus was er zo-even ook bij in de tuin. Petrus loochent andermaal en dan kraait de haan: ná de verloochening. Vrijwel onmiddellijk (afhankelijk van de uitvoering, men kan kiezen om een breed arpeggio neer te zetten) wordt Petrus Christus’ woorden indachtig. ‘Jesu’ krijgt dezelfde hoge noten (2x g) als ‘andermal’ (3x g)- Bach legt hiermee een directe verbinding tussen het verloochenen en de voorspelling van Jezus. Vervolgens barst Petrus in een intens wenen uit; onwaarschijnlijk treffend door Bach geschilderd met noten. In de partituur is het schokken en snikken terug te zien, de chromatiek versterkt het dramatische karakter ervan en in de muziek zelf horen we het trage, schuldbewuste wenen. Bach herhaalt ‘weinete’ om zijn hoorders ervan te doordringen dat wat hier gebeurt ernstig is.

19. Ach, mein Sinn (aria, tenor)

Een onrustige aria. Petrus wordt door de zonde gekweld, te horen aan de onvoorspelbare sprongen tussen de noten- hoog, laag, lang, kort, alles komt voorbij. Er lijkt geen plaats om tot rust te komen, ‘Wo soll ich mich erquicken?’ De zonde grijpt diep in en maakt onrustig: ‘Und im Herzen / Steh’n die Schmerzen.’ Schuldbewust van de oorzaak luidt het slot: ‘… weil der Knecht den Herrn verleugnet hat’. Het ‘verleugnet’ krijgt uitgebreid de nadruk, veel beweging in het notenbeeld, met korte, lange en gepuncteerde noten (kwaad en zonde zijn niet op logica gestoeld), waarna de aria spoedig tot een einde komt.

20. Petrus, der nicht denkt zurück (koraal)

Het eerste deel van het koraal gaat over Petrus. In het tweede deel vraagt de gelovige aan Christus om ook hem aan te kijken: ‘Jesu, blicke mich auch an.’ Jezus’ blik was bij Petrus naar binnengeslagen (‘Der doch auf ein’ ernsten Blick / Bitterlichen weinet’). Het eerste deel van de Johannes wordt afgesloten met een kalm koraal. Hier geen onrust. De gelovige bidt aan zijn eigen onrust over de zonde, of het ontbreken daarvan, voorbij – erop vertrouwend dat Jezus’ vriendelijke ogen hem zullen doen breken.

TWEEDE DEEL (na de preek)

21. Christus, der uns selig macht (koraal)

Na het eerste deel wordt de schijnwerper weer op Christus gericht – een scherpe tegenstelling tot het voorgaande. Hij heeft geen kwaad bedreven (‘Kein Bös’ hat begangen’). De weg van het lijden is in de Schrift voorzegt (‘Wie denn die Schrift saget‘). Het ‘gefangen’ en ‘fälschlich’ gaat gepaard met chromatiek in de begeleiding; Christus gaat de lijdensgang niet zonder emotie.

22. Da führeten sie Jesum von Kaipha vor das Richthaus (recitatief)

De rol van Kajafas lijkt uitgespeeld (drie neergaande noten), terwijl Pilatus verbaasd reageert op de Joodse bende. Hij klinkt onderkoeld, terwijl de Joden koken van woede en hem nauwelijks laten uitpraten. Volgens Govert Jan Bach, een verre nazaat van Johann Sebastian, is Bach in nergens in de passionen antisemitisch. Hoewel Bach zich strikt hield aan Luthers vertaling van het Nieuwe Testament, en hij een ‘genadeloos muzikaal beeld’ van de Joden geeft vanwege hun wandaden, wordt nergens een antisemitisch argument gebruikt.

23. Wäre dieser nicht ein Übeltäter (koor)

Een opruiend koor met stijgende toonladders: dit gaat naar een climax. In de reactie van de Joodse leidslieden klinkt woede door – ze schreeuwen door elkaar heen en proberen Pilatus te overtuigen. Bach laat de nadruk niet vallen op het feit dat zij Jezus als misdadiger zien (‘Übeltäter’), maar op ‘nicht’: de Joden gaan zonder meer uit van Jezus’ schuld, terwijl dat voor Pilatus nog niet vast staat. Dat je je nog afvraagt waarom we hier voor je staan! schreeuwen de Joden. Naast hulpeloze verlegenheid komt hier ook een hooghartig autoriteitsbesef naar boven (Bouma 1964).

24. Da sprach Pilatus zu ihnen (recitatief)

Pilatus stemt erin toe, hij oogt iets minder kalm als zo-even, alsof hij aanvoelt dat hij zich hier zomaar van af kan maken.

25. Wir dürfen niemand töten (koor)

De joodse leidslieden geven blijk van hun dilemma: zij mógen niemand ter dood brengen, dus moet Pilatus met alle macht ervan overtuigd worden dat Jezus de dood verdiend heeft. Het is een wilde kakofonie van stemmen.

26. Auf daß erfüllet würde das Wort Jesu (recitatief)

Sterben‘ klinkt dramatisch – een voorzichtig kruismotief is in de partituur waarneembaar, een mooi voorbeeld van Augenmusik. Pilatus lijkt Jezus nauwelijks te kunnen uitspreken; neemt hij de onrust en woede van de Joden over? Het rijk (‘Reich’) van Jezus is niet van deze wereld: van een andere, namelijk hogere orde (let op de hoge e (2x!), de hoogste door de solist gezongen noot). Bijna net zo hoog is ‘Köning’, door Pilatus uitgesproken (d).

27. Ach großer König (koraal, 2 coupletten)

Dezelfde melodie als no. 7. De gemeente reageert op de dialoog tussen Jezus en Pilatus: ‘… großer König…’ Het tweede couplet is een klacht en vraag tegelijk: ‘Wie kann ich dir denn deine Liebestaten / Im Werk erstatten?’

28. Da sprach Pilatus zu ihm (recitatief)

Opvallend in dit recitatief is dat ‘König’, gezongen door de bassolist (Jezus). Hij is gekomen om van de waarheid te getuigen – een centraal thema in het Johannesevangelie (cf. Jh. 3,11, 32; 8,14; 18,37) (Thompson 1964). Bach houdt ‘Wahrheit’, ‘zeugen’ en ‘meine Stimme’ dicht bij elkaar (let op de toevallige verhogingen). Pilatus ziet een uitweg: de gewoonte om tijdens het feest een gevangene los te laten. Hij lijkt niet overtuigd van het slagen van deze poging en de felle reactie van de joodse leidslieden laten zien dat Pilatus de plank misslaat.

29. Nicht diesen, sondern Barrabam (koor)

De leidslieden weten wel wat ze willen; overtuigd klinkt het: niet Jezus, maar Barabbas moet vrijgelaten worden. Viermaal klinkt ‘nicht diesen‘ en driemaal ‘Barrabam‘, alsof de keuze vóór Barabbas er vooral een tégen Jezus is.

30. Barrabas aber war ein Mörder (recitatief)

De verminderde kwint onder ‘Mörder’ is een diabolus in musica: een tritonus (interval van drie hele tonen; overmatige kwart) dat in de Middeleeuwen geassocieerd werd met de duivel.. Het recitatief duurt nauwelijks een halve minuut, maar aan de geseling (geißelte) die Jezus ondergaat, lijkt geen einde te komen. Een dramatisch notenbeeld met gepuncteerde figuren in de begeleiding. Ongenadig zwiepen de zweepslagen op Jezus neer.

31. Betrachte, meine Seel, mit ängstlichem Vergnügen (arioso, bas)

Een uiterst kalme arioso, gezongen door de bas. Het tempo (adagio) maakt het tot een verstilde meditatie: een omkering van de geseling van zo-even. De tekst is piëtistisch van aard: sober, terughoudend, vroom, nederig. ‘Du kannst viel süße Frucht von seiner Wermut brechen, / Drum sieh ohn Unterlaß auf ihn!’

32. Erwäge, wie sein blutgefärbter Rücken in allen Stücken (aria, tenor)

Wanneer we in ogenschouw nemen hoe Bach ‘Erwäge’ (bedenk!) weergeeft, dringt beter door waar het hem om te doen is: tweemaal een beweging van laag naar hoog, vervolgens een lichte schommeling en daarna een uitzonderlijk lange noot. We worden opgeroepen de diepere laag te zien van wat hier gebeurt: Jezus’ bebloede rug (‘sein blutgefärbter Rücken’) is als de allermooiste regenboog (‘Der allerschönste Regenbogen’; dat een nog langer accent krijgt!). Na onze zondvloed – die van onze zonden – verschijnt Gods genade aan de hemel! De tekst van de aria drukt een diep medeleven uit met het lijden van Jezus, waarbij we worden aangemoedigd aandacht te besteden aan de bloedige wonden op Jezus’ rug. De langzame en bezwerende notenlijnen benadrukken de ernst van het lijden en moedigen aan tot inkeer en reflectie.

33. Und die Kriegsknechte flochten eine Krone von Dornen (recitatief)

Het vervolg wordt s.c.J. bijgewerkt

 


Bronnen

  • Bach, Govert Jan (2017). Maarten Luther en Johann Sebastian Bach. Twee grensverleggers. Amsterdam: Uitgeverij Rubinstein.
  • Bach Vereniging (2024). Eersteling. Via: Johannes-Passion – Bach (bachvereniging.nl).
  • Bouma, C. (1964). Het evangelie naar Johannes opnieuw uit de grondtekst vertaald en verklaard. Kampen: J.H. Kok N.V.
  • Buys, Hans B. (1950). Johann Sebastian Bach. 48 preludia. Haarlem/Antwerpen: Gottmer.
  • Hengel, E. van (2024). Johann Sebastian Bach – Johannes-Passion (BWV 245). Via: Johannes-Passion (BWV 245) – Eduard van Hengel.
  • Nelson, Th. (2013). King James Study Bible, Second Edition.
  • Pijper, W. (2011). Het papieren gevaar. Verzamelde geschriften (1917-1947). Utrecht: Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis.
  • Thompson, Frank Ch. (1964). The New Chain-Reference Bible. Indiapolis-Indiana: B.B. Kirkbride Bible Co., Inc.
  • Vergunst, A.T. (2022). Preken in de serie “Ik ben”. Via: PrekenWeb – Preken in de serie “Ik ben” serie.